JOGGEN, HARDLOPEN EN SPRINTEN: WAT IS HET VERSCHIL?

Lopen… aan 8,5 km/u of aan 18 km/u, je bent aan het lopen! Maar absoluut niet op dezelfde manier! Je energieverbruik verschilt, je ademhalings- en hartritme zijn ook anders, net als je pasfrequentie. Maar vooral je looppas is anders en je spieren worden niet in dezelfde mate belast. Wat is dus het verschil in looppas bij joggen, hardlopen en sprinten?

WAAROM KAN IK MET DE ENE LOOPPAS HEEL SNEL RENNEN EN MET DE ANDERE NIET?

Laat ons even je techniek ontleden: 
het grote verschil tussen wandelen en hardlopen is de zwevende fase, waarbij beide voeten los van de grond zijn. Wanneer je rent, wissel je van voet en bewaar je het evenwicht met armbewegingen die gecoördineerd zijn je beenbewegingen. 

Tijdens de zwevende fase zal de afstand die je overbrugt groter of kleiner zijn en zal je tijd "in de lucht" langer of korter zijn. De afstand die je aflegt tussen twee afzetten, die het begin en einde van de zwevende fase vormen, is je paslengte. Die paslengte zal afhangen van individuele parameters (lichaamslengte, geslacht, trainingsniveau, techniek) maar ook van je loopsnelheid

--> In een marathon zal de paslengte van een topsporter gemiddeld 1m60 bedragen, op een afstand van 1500 m neemt de paslengte toe tot gemiddeld 2 m en op een afstand van 100 m zal de paslengte van een topsporter gemiddeld 2m50 bedragen. 
Als we dus de twee uitersten nemen, heeft een marathonloper met een tijd van 2u05 gemiddeld 26.372 passen gezet tijdens zijn wedstrijd terwijl de beste sprinter ter wereld er slechts 41 zet op zijn 100 m. 
(of 62 passen op de 100 m voor de marathonloper en 17.300 passen op de marathon voor de sprinter (iets dat onmogelijk is ;) )

VOETTRAJECT EN SNELHEID

Nu concentreren we ons op het traject dat je voet aflegt tijdens de beweging, dat ook verschilt afhankelijk van je snelheid. 
Als je bij een loper in profiel kijkt naar de beweging van zijn voet, zul je zien dat die voet een traject volgt dat lijkt op een ellips die vooraan is afgeplat en achteraan groter is. 
Dat noemt men het cyclogram van de voet (afbeelding 2).

Als je langzaam loopt, zal de ellips erg breed zijn achteraan. Dat wil zeggen dat je voet achter je heel hoog omhoog gaat voordat hij weer neerkomt. En wanneer je voet daarna loodrecht onder je heup komt en naar voren wordt gebracht, gaat hij niet erg hoog voordat hij op de grond landt. Dat noemt men lopen met achterwaartse cyclus.

Andersom, wanneer je sneller gaat lopen en de ellips achter je kleiner maakt, wordt het traject voor je iets groter. Je voet gaat minder hoog achter je en hoger voordat je hem voor je neerzet op de grond. Dit noemt men lopen met een voorwaartse cyclus.

Dat hoge traject vooraan kun je zien bij een sprinter die zijn knie duidelijk hoog optrekt. Een beweging die je nooit of heel zelden ziet bij iemand die aan het joggen is. 
--> Samengevat, als je snel loopt, til je de knieën hoog op (dat kan doordat het bekken achterover is gekanteld en de buikspieren worden samengetrokken), maar gaat je voet niet hoog omhoog achter je. 
Als je jogt: gaat de voet achter je hoger en je knie weinig omhoog.

Beide ellipsen hebben echter wel een gemeenschappelijk punt: de landing van de voet op de grond ook zal die landingsduur korter zijn bij sprinten dan bij joggen. Als we tot slot de lengte van de ellipsen vergelijken, stellen we vast dat de ellips bij een sprint langer is dan bij joggen, een weerspiegeling van de langere passen die worden gezet bij sprinten. 

NU JE DIT ALLEMAAL WEET, KUN JE EVEN TIJD MAKEN OM HET TRAJECT VAN JE EIGEN VOETEN TE VOELEN, DAT KAN JE ALLEEN MAAR HELPEN OM BETER TE LOPEN!

Hélène PETOT
Ingenieur onderzoek en ontwikkeling bij het DECATHLON SportsLAB en doctor in de trainingsfysiologie